Prijsinelasticiteit op de korte en lange termijn

Als ik een tekst lees over de prijselasticiteit van de vraag, dan wordt prijselastisch en prijsinelastisch uitgelegd als een verandering van de vraag die in verhouding respectievelijk groter of kleiner is dan de verandering in de prijs. Meestal wordt geredeneerd door de bril van aanbieders of een overheid die wil ingrijpen in de markt. Maar waardoor komt het dat de vraag prijselastisch of inelastisch is, gekeken door de bril van de mensen die een goed of dienst kopen?

Een prijselastische vraag betekent dat bij een stijging van de huidige prijs mensen op korte termijn minder kopen – en dat ook kunnen. Ze kunnen met minder toe van het product, of er zijn substituten beschikbaar die nu een goed alternatief zijn geworden. Als de huidige prijs daalt, en de vraag is prijselastisch, dan kopen mensen op korte termijn meer van het product, omdat ze het willen, en gaat het mogelijk ten koste van substituten, die nu in verhouding duurder zijn geworden. Als al het andere gelijk blijft, zoals de prijzen van substituten, dan verwacht ik dat deze verschuiving in de vraag zich op de langere termijn stabiliseert.

Een prijsinelastische vraag is in dit opzicht denk ik interessanter, want het zegt eigenlijk alleen iets over de korte termijn. Als de huidige prijs daalt zullen mensen niet veel meer kopen dan ze tot nu toe gedaan hebben, omdat ze dat niet willen. Maar het is mogelijk dat een prijsdaling nieuwe kopers aantrekt, die het nu kunnen betalen, of die het nu zien als een goed alternatief voor iets anders. Dat is een effect op de langere termijn. Dat betekent dat de vraag op de langere termijn prijselastischer kan zijn dan op de korte termijn.

Dit onderscheid tussen de korte en lange termijn, kun je ook maken voor een prijsinelastische vraag als de huidige prijs stijgt. Kopers kunnen – of willen – hun koopgedrag niet op korte termijn aanpassen, en daar ligt ‘m precies de crux. Want als ze het niet willen, dan zal de vraag ook op langere termijn prijsinelastisch blijven, maar als ze het niet kunnen – op korte termijn -, dan zou de vraag op langere termijn wel eens prijselastischer kunnen zijn. Kopers gaan dan toch op zoek naar alternatieven.


Hoe kunt u dit in de les gebruiken?

Een voor de hand liggend voorbeeld van een prijsinelastische vraag is de vraag naar benzine. In een artikel in het Tijdschrift voor Vervoerswetenschap van 20121, vond ik een gemiddelde prijselasticiteit van -0,20 op de korte termijn2 gebaseerd op 222 studies.  Dat is trouwens lager dan de schatting die  vervoersdeskundige Jan-Anne Annema van de Technische Universiteit Delft doet in een artikel in de Volkskrant3, hierin noemt hij een prijselasticiteit die ligt tussen de -0,35 en -0,74.

In een Engels onderzoek5 vond ik een gemiddelde prijselasticiteit van bier van -0,66.

U zou uw leerlingen de volgende vragen kunnen voorleggen:

    • Wat is het meest prijsinelastisch – op basis van deze informatie – benzine of bier?7
    • Benzine is prijsinelastisch, kun je verklaren waarom benzine prijsinelastisch is?8
    • De schattingen van de prijselasticiteit van bier lopen sterk uit elkaar. Met een gemiddelde van -0,6 is het prijsinelastisch, kun je dat verklaren?9
    • Kun je drie mogelijke reacties noemen die autobezitters kunnen hebben op een stijging van de prijs van benzine?10
    • Verwacht je, op grond van deze reacties, dat op lange termijn de vraag naar benzine prijselastischer is? Verklaar je antwoord.11
    • Welke mogelijke reacties kunnen bierdrinkers hebben op een stijging van de prijs van bier?12
    • Verwacht je daarom dat op langere termijn de vraag naar bier prijselastischer is? Verklaar je antwoord.13
    • Vergelijk jouw verwachting van de prijselasticiteiten van bier en benzine op de langere termijn met elkaar. Welk product is volgens jou op de langere termijn prijselastischer?14

  1. Over brandstofprijzen en automobiliteit, Tijdschrift voor Vervoerswetenschap, september 2012, jaargang 48, nummer 3, pagina 72
  2. Gegevens komen uit een meta analyse van de prijselasticiteit van de vraag naar benzine van Brons et al, uit 2007
  3. Automobilist haalt schouders op over torenhoge benzineprijzen, Volkskrant, 8 maart 2011
  4. Dit is een optelsom van de onder- en bovengrenzen van twee effecten die hij noemt in het artikel.
  5. Estimation of price elasticities of demand for alcohol in the United Kingdom, João Sousa, HMRC, december 2014
  6. Met een bandbreedte van -3,2 tot -0,9. De schattingen lopen dus erg uit elkaar, maar ik werk in de opdracht met het gemiddelde.
  7. Een prijselasticiteit van -0,20 is prijsinelastischer dan -0,6.
  8. Benzine is prijsinelastisch omdat mensen a) afhankelijk zijn van de auto voor woon-werkverkeer, b) moeilijk hun gedrag aanpassen op korte termijn.
  9. Bier zou iemand meteen minder kunnen gaan kopen, als de vraag toch prijsinelastisch is, suggereert dat dat mensen moeite hebben hun gewoonten op korte termijn aan te passen, of ze willen het niet aanpassen.
  10. Jan-Anne Annema noemt in het artikel in de Volkskrant drie mogelijke reacties: Mensen kopen een zuiniger auto, gaan minder gaan rijden, of doen de auto helemaal de deur uit.
  11. De eerste reactie is niet op korte termijn te realiseren, de andere twee tot op zekere hoogte wel. Maar als mensen dichterbij hun werk moeten gaan wonen om minder te rijden, of de auto de deur uit te doen, dan is het ook niet op korte termijn te realiseren. Daarom verwacht ik dat de prijselasticiteit van de vraag naar benzine op langere termijn prijselastischer is dan op korte termijn. Hij is dan mogelijk nog steeds prijsinelastisch.
  12. Bierdrinkers hebben ook meerdere rmogelijkheden om te reageren: ze kunnen minder bier gaan drinken of helemaal stoppen met bierdrinken. Minder bier drinken wil niet zeggen dat ze minder alcoholhoudende dranken gaan drinken, ze kunnen overstappen naar andere alcoholische dranken.
  13. Een bierdrinker zou in principe meteen moeten kunnen stoppen met het drinken van bier, tenzij het verslavend is, of de gewoonte om bier te drinken te diep geworteld is. Daarom denk ik dat de vraag op langere termijn niet meer terugloopt, maar daar heb ik geen cijfers voor. Het zou kunnen dat op langere termijn meer mensen zelf bier gaan brouwen en daardoor de vraag op langere termijn iets prijselastischer is dan op korte termijn.
  14. Ik denk dat benzine prijselastischer is op de langere termijn, dan bier, omdat mensen op langere termijn over kunnen stappen op een zuinigere auto, en dan nog steeds hetzelfde aantal kilometers kunnen blijven rijden. Ze hoeven dan hun gedrag niet of slechts een beetje aan te passen. Een grotere afname in de vraag naar bier op langere termijn vraagt een gedragsverandering, dat is vaak moeilijker.
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief: