Economische groei en levensstandaard

Het is zijdelings aan de orde geweest1: zijn we al tevreden met de levensstandaard die we bereikt hebben dankzij de economische groei van de afgelopen eeuw? Naast het aflossen van schulden en het toenemen van de bevolkingsomvang, is economische groei nodig als we onze levensstandaard willen vergroten. Laat ik het anders zeggen: als we onze materiële welvaart willen vergroten. De materiële welvaart meten we met het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking. Als we het bruto binnenlands product per hoofd omrekenen naar het prijspeil van 1900, kunnen we goed zien hoe onze materiële welvaart de afgelopen eeuw – sinds 1921 – is gestegen:

Je ziet bovendien dat het aan het stabiliseren is – op zo’n 1.340 in 1900 prijzen. Ik weet niet of dit een bewuste keuze is – is dit de levensstandaard is die we de afgelopen eeuw hebben nagestreefd? – of dat het het gevolg is van de economische ontwikkelingen in deze eeuw. Waar het mij om gaat, is dat het verhogen van de levensstandaard een mogelijke reden is om economische groei na te streven.

Levensstandaard is een ruim begrip. Wij, economen, gebruiken hiervoor meestal het bbp per hoofd van de bevolking, zoals ik heb gedaan in de grafiek. Ik heb hierbij een correctie op de inflatie toegepast door 1900 prijzen te gebruiken. Dit maakt het mogelijk om de ontwikkeling van het bbp per hoofd gedurende de afgelopen eeuw te volgen, maar ik kan dit niet gebruiken om de levensstandaard in Nederland te vergelijken met de levenssstandaard in een ander land. Hiervoor gebruiken we koopkracht pariteiten, de McDonalds index is hiervan een populair voorbeeld. De koopkracht pariteit houdt rekening met het verschil in prijspeil, waardoor het mogelijk is om de kosten van levensonderhoud op één noemer te brengen. Hiervoor moet er eensgezindheid zijn over wat de kosten van levensonderhoud zijn – het boodschappenmandje.

In de Universele Verklaring van de Mensenrechten staat: “Een ieder heeft recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder voeding, kleding, huisvesting en gezondheidszorg en de noodzakelijke sociale dienstverlening, alsmede het recht op voorzieningen in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden buiten zijn toedoen.”2 Deze omschrijving is breder dan de kosten van levensonderhoud: de levensstandaard moet hoog genoeg zijn om ook een sociaal vangnet te bekostigen.

Het Donut model noemt het geen levensstandaard maar sociaal fundament. Dat bestaat uit dingen als het recht op inkomen en werk, huisvesting en voedsel en toegang tot gezondheidszorg en onderwijs, en ook een stem in de politiek3.  Als puntje bij plaatje komt, hangt het ervan af wát je nastreeft of – en hoeveel – economische groei nodig is.


Hoe kunt dit in de klas gebruiken?4

Ik denk dat hier een klassengesprek over gehouden kan worden. Wat rekenen uw leerlingen tot ‘levensstandaard’? U kunt een leerling vragen om bij te houden wat genoemd wordt en dit daarna bespreken. Vallen er dingen op die ontbreken? Wat zou het betekenen als alle burgers de levensstandaard bereiken die uw leerlingen gedefinieerd hebben? Wat is er nodig om deze levensstandaard te bereiken?5


  1. Economische groei en bevolkingsomvang, Economiewijs, 30 april 2018
  2. Universele Declaration of Human Rights, vertaald uit het Engels
  3. Donut economie, 16 april 2018, economiewijs.nl
  4. Als u dit een leuk idee vindt, en het graag verder uitgewerkt ziet, aarzel dan niet om contact met mij op te nemen.
  5. Als u meer tijd hebt, kunt u voor een opdracht als deze een gespreksvorm als het socratisch gesprek of het debat kiezen.